classic / modern

← terug

Tijdmachine deel VII
12 februari 2004


Vervolgens draait hij zich weer om richting Heer Osso en vervolgt zijn gesprek. “Hmm ik had eigenlijk verwacht dat hij weer een lang verhaal zou gaan houden.”, begint José, terwijl hij zijn lege mok op de rand van de openhaard zet. “Wees blij”, zegt Martín: “dat hij het niet doet, des te eerder krijgen we het ontbijt. Kijk daar is het al.” Achter ons gaat een deur open en het kleine mannetje van gisteravond komt binnen rijden, met een grote kar vol met broodjes, kaas, worst, kannen water en melk.
Het is een eenvoudig ontbijt en we worden geacht zelf met een bord en mes langs de kar op te lopen. Maar dat bevalt me eigenlijk wel.
Met ons bord op schoot eten we rond het haardvuur ons brood op. Ik knabbel wat op een stuk kaas, terwijl Marín en José geanimeerd vertellen over een sportwedstrijd op Madros. Wat ik ervan begrijp is het een soort van stierenvechten. Maar dan op een bezem en tegen één of ander vliegend wezen. Wat het precies is snap ik niet helemaal. Maar voordat ik er over door kan vragen, stelt Mara me een vraag. “Nou wil ik toch echt wel graag weten wat dat voor een ding is dat er om je linker pols zit.”
Ik was al blij dat dit gewaad lange mouwen had, ondanks dat ik nooit lange mouwen draag, maar klaarblijkelijk heb ik de mouwen opgestroopt om zo niet met die dingen in mijn brood te zitten. “Vanavond” antwoord ik: “vanavond als we hier weer rustig alleen rond het haarvuur zitten zal ik jullie vertellen wat dit is en hoe ik hier kom.”
Ze werpt me weer een dodelijke en teleurgestelde blik toe, maar vraagt niet verder. Ook Martín en José schijnen er vrede mee te hebben, want die zetten hun gesprek ook weer voort. “Maar weet je nog die keer dat ik met een dubbele looping die Foegoer te snel af was?”

“Ik hoop dat jullie allemaal goed gegeten hebben”, vraagt Madam Lina. In mijn ooghoek zie ik Vincent nog snel een homp brood in zijn mond duwen, terwijl hij op het puntje van de bank gaat zitten, in de hoop zo beter Madam Lina te kunnen horen. “want het zal een drukke dag worden vandaag. Om te beginnen gaan we dadelijk kijken wat voor een toverstokken jullie hebben en wat jullie sterke kwaliteiten zijn op het gebied van magie en schone kunsten. Aan de hand daarvan zullen jullie ingedeeld worden in kleine groepjes onder leiding van één of twee leraren. Maar ruim nu eerst even je ontbijtspullen op en haal je toverstok van boven, mocht je hem nog niet bij je hebben.”
Ik kijk Mara en de twee spaanse jongens verschrikt aan. “Toverstok? Ik heb helemaal geen toverstok.”, fluister ik tegen Mara. “Hoe bedoel je?”, vraagt ze me, terwijl ze me met grote ogen aanstaart: “Jij komt toch ook gewoon van een tovenaarsschool af en dan heb je toch altijd je toverstok bij je?” “Ehm nou eigenlijk...” Ondertussen rommel ik een beetje met mijn mes op mijn bord en veeg een paar kruimels bij elkaar. “Eigenlijk ben ik hier gekomen .”
“Vertel ze dat later maar”, zegt een zware stem achter me, die hoort bij de hand die op mijn schouder is komen te liggen. Ik kijk op en kijk in het vriendelijke gezicht, met de grote bos grijs haar en baard, van Heer Wayra. “Loop jij even met mij mee?”, vraagt dezelfde stem en de hand op mijn schouder leidt me uit mijn stoel richting grote deur. Ik weet nog net even achterom te kijken met een verwarde vragende blik richting mijn drie nieuwe vrienden, die al even verward kijken.

“Ik heb wat voor je op mijn kamer liggen, wacht jij hier maar even.” Vervolgens zie ik Heer Wayra een lange smalle trap opgaan. Ik sta op een balkon, en kijk uit over een grote ruimte beneden me. Het lijkt een beetje op een sporthal, en heeft ook die grootte. De vloer bestaat grotendeels uit fijn zand. Dat wordt omringt door een houten rand, hooguit 10 centimeter hoog. Daar omheen is het gewoon een tegelvloer. De wanden zijn bekleed met een aantal tapijten en twee schilderijen. Op één ervan staat een man in een rode mantel met een groot zwart zwaard in zijn handen, het andere schilderij is niet goed zichtbaar door de lichtinval van de zon door het grote raam boven me. Langs beide lange randen van de ‘zandbak’ staan twee zwaar beslagen kasten, waarvan ik wed dat ze ook goed op slot zitten.
Terwijl ik nog even nadenk over de functie van de ‘zandbak’, komt Heer Wayra aangelopen met een lang dun pakket. “Ik geloof dat deze van jou is” zegt hij terwijl hij mij het pakket overhandigd. Ik neem het aan en voel iets bekends in mijn handen, een gevoel dat zegt dat de inhoud van dit pakket mijn eigendom is. Voorzichtig knoop ik het touw los en wikkel het papier eraf. “Maar, maar hoe kan dit?”, stotter ik als ik een bekende lap stof onder het papier vandaan zie komen. Snel ruk ik de rest van het papier er van af. “Hoe komt u hieraan?” vraag ik, en voorzichtig zet ik de inhoud overeind.
In mijn handen heb ik een lange dunne gebroken-witte doek, met een voor mij overbekende inhoud. Ik knoop de bovenkant open en laat de zak langzaam naar beneden zakken terwijl ik voorzichtig met mijn vingers over de tekens heen strijk. “Chirapa Wayra Ekangi Bula”, fluister ik zachtjes. In mijn handen houd ik mijn T’ai Chi stok. “Nu weet je ook waar mijn naam vandaan komt.”, glimlacht Heer Wayra.
Vol ongeloof kijk ik hem aan en duizend vragen komen in me op. “Vraag maar niets”, zegt hij: “het zal je snel genoeg duidelijk worden. Loop nu maar gauw terug, anders kom je te laat bij Heer Toro aan.”

Als ik me nog eenmaal omdraai, zie ik Heer Wayra nog wijzen dat ik rechtsaf moet. Ik loop bijna een harnas omver terwijl ik de bocht neem, en blijf door mijn uitwijk manoeuvre ook nog eens bijna met mijn voet onder het vloertapijt haken. “Is mijn T’ai Chi stok hier in deze tijd mijn toverstok?”, schiet er door mijn hoofd heen: “het moet niet veel gekker worden. En trouwens hoe is hij hier eigenlijk gekomen?” Mijn hoofd kampt met nog meer van deze vragen als ik de gemeenschappelijke ruimte kom binnen rennen.
“Sorry dat ik laat ben.”, roep ik terwijl ik me naast Martín wurm, en Mara een blik toewerp. De hele groep staat stil naast elkaar, terwijl Heer Toro voor de groep staat te spreken. “Geeft niet Mark, ik vertelde net dat we nu naar het binnenplein gaan om ieders toverstokken te bekijken.” En hij draait zich om en leidt de groep mee naar buiten. “Daar kom ik mooi vanaf, dat moet ik op de universiteit niet proberen.”, hoor ik mezelf denken.

“Rosalinde? Kom jij als eerste naar voren?” “Tuurlijk Heer Toro.”, kirt een zacht hoog, maar nu al vervelend, stemmetje, terwijl het hoogblonde meisje naar voren paradeert. “Het enige wat je hoeft te doen is je toverstok pakken en deze een paar keer heen en weer zwaaien in deze richting.” Heer Toro wijst richting een grote oude kist. “Op dat vieze oude ding daar?” vraagt Rosalinde. “Het is alleen maar een oude houten kist met een bolle deksel aan de bovenkant. Ik ga echt niet zomaar voor de hele groep een beetje met mijn toverstok zwaaien naar een oude kist, dat ziet er niet uit. En wat gebeurt er dan eigenlijk?” “Dat zul je wel zien”, antwoord Heer Toro met een kleine zucht. “En nee, voor je het vraagt, het maakt niet uit hoe je zwaait. Doe dat wat je gevoel je ingeeft, maar zorg er wel voor dat de punt van je toverstok naar de kist toe eindigt.”
“Ow goed dan.” Klinkt een hoog geïrriteerd stemmetje, terwijl ze haar gewaad nog even recht strijkt. Rosalinde pakt met drie vingers een haar lange dunne toverstaf. Deze lijkt nog het meest op een verfpenseel, en heeft een blanke kleur, bijna tegen het witte aan. Ik meen een opstaande pink te zien op de manier zoals ze haar toverstaf vast heeft. In ieder geval, ze tilt haar arm op, en met een kleine sierlijke polsbeweging tekent de toverstaf twee cirkels in de lucht en laat dan de punt rusten richting de kist.
Even gebeurd er niets, even zie ik de hele groep ademloos en verwachtingsvol naar de kist kijken. Totdat deze openspringt en er een witte wolk uit opstijgt.
“Dankje” zegt Heer Toro, nadat de witte wolk is opgetrokken. “Je mag naar Mevrouw Mariëtta, de dame aan in de witte mantel, toe lopen.”Enigszins ongemakkelijk loopt Rosalinde naar Mevrouw Mariëtta toe. Nagekeken door een aantal gezichtjes.

“Martín?”, hoor ik Heer Toro roepen: “Jij bent aan de beurt.” Zelfverzekerd stapt mijn spaanse vriend naar voren met een zwarte wandelstok in zijn hand. Gaat met de rug naar de kist staan, die inmiddels weer is gesloten, en kijkt naar Heer Toro. “Ga je gang.”, antwoord deze. Martín knikt, hij houdt zijn wandelstok voor zich uit met een gestrekte linkerarm, stampt op de grond en met de gratie en bewegingen van een flamenco danser flitst zijn rechterhand naar voren, grijpt het handvat van de wandelstok en trekt deze los van de wandelstok. Ineens realiseer ik me, dat in deze wandelstok, Martíns toverstok zit. En met dat ik me dat realiseer, is hij al omgedraaid en met een grote boog van zijn rechterarm eindigt ook de punt van Martíns toverstok in de richting van de kist. Onder de kist verschijnt een groene wolk en de kist draait één maal rond zijn as.
“Juffrouw Ada, ik had al zoiets verwacht.”, roept Heer Toro en wijst naar de heks in het groene gewaad. Vervolgens draait zijn arm en roept:
“De jongen daar, met die grote staf ik ben even je naam kwijt, jij bent.”





Geen reacties.




Reacties zijn gesloten.

logo