classic / modern

← terug

Tijdmachine deel XI
19 februari 2004


IK ben een paar daagjes stil geweest hier, maar als goedmakertje een extra lang deel uit het Tijdmachine verhaal.

“Wij zijn ook net klaar, was echt een geweldige les. Heer Toro is echt geweldig zoals hij met zijn toverstaf omgaat en de spreuken die hij tevoorschijn tovert.” Ook José begint enthousiast aan zijn verhaal. Martín zit nog steeds afwezig in het haardvuur te staren, met een gezicht als onweer. Mara en ik doen ons best om José’s verhaal bij te houden, maar die jongen is zo vol overgave aan het ratelen over de les dat we de helft niet meekrijgen. “ ..en Sadaf die toen van haar stoel werd geschoven ..” Maar misschien komt het ook omdat ook wij nog niet helemaal bij zijn gekomen van onze les. “ .en de manier waarop hij toen die stoel in de lucht liet zweven was echt geweldig .” Als ik mijn lege theemok voor mijn voeten neerzet op de rand van de openhaard, is José nog steeds geanimeerd aan het vertellen. “ .vervolgens mochten wij ook proberen om iets te laten zweven ..” Maar helaas voor hem is er eigenlijk niemand die het verhaal echt mee krijgt. Mara knikt af en toe nog vriendelijk naar hem en mompelt af en toe iets bevestigends.

“Ok mensen, het avondeten staat geserveerd” roept Senor Osso enthousiast. Ik schrik op uit mijn afwezigheid, geef Martín een duw om hem wakker te maken en richting tafel te laten lopen. Mara is inmiddels ook weer helemaal bij en loopt met José richting eettafel, die nog steeds enthousiast aandoet en beweegt. Martín werkt zichzelf uit zijn luie stoel en samen lopen wij de paar stappen naar de eettafel. “Wacht maar totdat je dadelijk gegeten hebt. Je knapt sowieso op van een maaltijd, maar omdat je vanmiddag die oefeningen hebt gedaan ben je straks echt overactief.”, zeg ik tegen hem. Hij kijkt me een beetje ongelovig aan, maar knikt dan.
De maaltijd is eenvoudig maar lekker, verschillende gestoofde groenten, aardappelkoeken en Senor Osso staat voor iedereen die wil een stuk vlees af te snijden van iets dat lijkt op een beenham. Verder staan er wat broden en kazen op tafel. Aan de andere kant van de tafel zie ik Rosalinde, de blonde jongedame die vanochtend als eerste naar voren mocht komen bij de kist, een beetje met haar eten pikken en mopperen. “Dit ga ik echt niet eten”, moppert ze tegen Sadaf. Meer vang ik niet op, omdat Vincent bijna van zijn stoel af dondert en daarbij nogal veel lawaai maakt. Maar ik zie Sadaf wel geïrriteerd naar Rosalinde kijken. Ondertussen ligt José samen met Martín, die schijnbaar ook weer is opgeknapt, in een deuk van het lachen. Nadat Vincent in een poging zijn val te breken, zijn bord grijpt, maar vergeet dat een bord met eten geen houvast biedt, en zo achterover, met het bord nog in zijn handen, van de stoel afvalt. Of eigenlijk, met stoel en al.

Na de maaltijd krijgen we van Heer Wayra te horen dat er voor vanavond niet echt iets op het programma staat. Als hij uitgesproken is, heerst er een gezellige een ontspannen sfeer aan de tafel. Iedereen is enthousiast over de eerste dag en benieuwd naar wat er komen gaat.
Als ik opsta en mijn spullen van de tafel afruim, klinkt er aan de tafel een gezellig geroezemoes en gelach. Terwijl ik mijn bord en bestek op de afruim-kar leg, komt Mara naast me staan. “Je zou me vanavond vertellen hoe je aan die rare armband rond je linker pols komt”, zegt ze uit het niets. Enigszins verbaasd kijk ik haar aan. Ik kijk haar even aan en probeer in de tussentijd een leeg excuus ter verzinnen, maar besef me ook dat vanavond net zo goed is als ieder ander moment. “Ja”, stommel ik: “je hebt gelijk, ik had het je beloofd. Maar laten we Martín en José ook meevragen, zij hebben er ook recht op.” Ze knikt bevestigend.

Vijf minuten later loop ik samen met de twee Spaanse jongens en Mara richting onze slaapvertrekken. We lopen de slaapkamer door en gaan voor het grote raam zitten. Ik kruip aan de linkerkant tegen het raamkozijn aan en Mara aan de rechterkant. Martín en José pakken allebei een stoel bij de tafel vandaan, gaan naast de bank zitten en leggen de voeten op de bank.
“Nou brand los.”, grijnst Martín. Ik kijk een keer de groep rond en laat mijn blik dan op mijn linkerarm vallen. Ik rol de mouw van mijn gewaad iets op zodat mijn horloge zichtbaar is. Martín en José kijken verbaasd naar het ding en Mara knikt alleen maar. “Ok, wat is dát voor een ding rond je arm”, klinkt een van de mannenstemmen. “Dat is een horloge.” “Een wat??”, mompelt dezelfde stem. “Een horloge”, herhaal ik. En om de drie onbegrijpende gezichten tevreden te stellen: “Dat is een apparaatje dat laat zien wat voor een tijd het is.” Nog steeds vragende gezichten. “Dit ding laat zien hoe laat het is. Als de zon op zijn hoogste punt staat is het 12 uur in de middag. Het laat dus zien of het nog ochtend is, of al middag, of avond, of nacht.” De blikken kijken nog verbaasder dan ze al waren. “Zit dat allemaal in die armband van je?”, vraagt José verbaasd. Ik knik bevestigend. “Maar hoe kom je eraan dan?”, vraagt Mara. “Dat is een nog langer verhaal”, antwoord ik: “en daarom zitten we nu ook hier, jullie wilden weten waar ik vandaan kwam, en omdat ik jullie nu wel vertrouw zal ik het vertellen. Ik kom namelijk niet hier vandaan.” “Nee, wij ook niet, wij komen uit Spanje.”, roept José. Die meteen een stomp krijgt van Martín: “Ik denk niet dat hij dat bedoelt.”

Ik kijk de drie mensen aan en leg dan mijn hoofd tegen het raam. De zon die zakt weer achter de kasteelmuur weg, terwijl ik even voor me uit blijf staren en probeer te verzinnen, hoe ik ze dit ga vertellen. “Ik kom uit de toekomst.”, zeg ik, en staar naar een spinnetje dat aan de buitenkant van het raam een web begint te bouwen. Het blijft stil in de slaapkamer. We staren alle vier naar buiten.
“Hoi”, klinkt de stem van Vincent die de kamer op komt stuiteren: “Wat zijn jullie aan het doen?” Maar als hij de dodelijke blik van Mara ziet: “Let maar niet op mij, ik ben al weg, ik kwam sowieso alleen maar een deken halen.”
Ik staar weer even uit het raam. “Dus ..”, mompelt Martín: “ .uit de toekomst?” En kijkt mij onbegrijpelijk aan. “Ja ik weet wat je bedoelt Martín, het is voor mij net zo onbegrijpelijk als voor jullie. Maar ja, ik kom uit de toekomst. Om precies te zijn 355 jaar verder, uit het jaar 2004.” “Maar hoe dan?”, vraagt Mara.
“Met een tijdmachine. Ik wist niet eens dat zo’n ding bestond, maar ik kreeg van iemand de mogelijkheid om met een tijdmachine een stukje de geschiedenis in te reizen en weer terug te keren naar mijn heden. Helaas had dat ding alleen een aantal voorkeuze menu’s. Maar op 1 knop stond jouw school Zweinstein. En daar wilde ik wel eens heen. Je moet weten, in de toekomst zijn er een aantal boeken geschreven over Zweinstein en een jongen die daar op school zit. En ik heb die boeken allemaal gelezen en het leek me wel interessant om daar een kijkje te nemen.”
“Maar je bent nu op het Kollumsoord voor Magie en Schone Kunsten en niet op Zweinstein”, zegt Martín. “Klopt, en ik heb geen idee waarom ik hier terecht ben gekomen in plaats van daar. Ik weet dat het voor sommige voor jullie onverwacht was om hier te verschijnen, maar ik ben niet eens een tovenaar, dus waarom ben ik dan hier?”
“Geen tovenaar?”, José kijkt me met grote ogen aan: “Maar je hebt vanochtend die kist weggeblazen met je toverstaf, dan moet je toch wel een tovenaar zijn?” “Ik weet wat er gebeurt is José, maar ik geen idee hoe ik dat heb laten gebeuren. Ik heb nooit kunnen toveren. Zal ik hem nog ingewikkelder maken? Die toverstaf is echt van mij, maar ik heb hem niet meegenomen in de tijdmachine. Heer Wayra heeft hem aan mij gegeven, maar hoe hij eraan komt, is mij een raadsel. Sowieso waarom het nu een toverstaf is. In mijn tijd gebruik ik hem alleen met T’ai Chi. Daar bestaan niet eens toverstaven. En nu ik hier ben .nou ja, we hebben allemaal gezien wat er vanochtend gebeurde.”
“Ok, mag ik even samenvatten?” vraagt Martin en ik knik bevestigend. “Dus je komt uit de toekomst, vandaar die rare armband. Je hebt geen idee waarom je hier bent en niet op Zweinstein. Je bent geen tovenaar, hebt nooit kunnen toveren. Maar je hebt wel de kist weggeblazen met je toverstaf. Die geen toverstaf is en die je niet eens hier mee naartoe hebt genomen, maar hier wel is. Klopt het zo een beetje?”
“Ja zo ongeveer”, mompel ik, terwijl het spinnetje inmiddels is begonnen aan de cirkels van zijn web. “Waar is die tijdmachine eigenlijk?” vraagt José. Verschrikt kijk ik weg van het spinnetje naar José, en realiseer me dat ik daar nog helemaal niet aan gedacht heb. “Ik heb die hele tijdmachine niet meer gezien sinds ik hier ben aangekomen ..”

Mara doorbreekt de stilte met een lichte kuch: “Ik denk dat het voor nu even niet belangrijk is, waar die tijdmachine is. Maar dat we allemaal dat doen waarvoor we hier zijn, namelijk Heer Wayra en de rest helpen en zorgen dat die Heer Loku niet de toverspreuk doorbreekt.” “Pardon? Hoe kun je zo hard zijn?”, roept José. “Nou heel makkelijk”, antwoordt ze: “Toeval bestaat niet, dingen gebeuren niet zomaar en we zijn hier allemaal met een reden heen gestuurd. Of met een reden, we zijn allemaal door onze schoolhoofden uitgekozen. Daarnaast wisten wij allemaal niet waarom wij hier nu zijn. En ook de manier waarop wij hier zijn gekomen is vaak niet heel logisch. Ik ben hier gekomen via de welkoms-brief die was omgetoverd tot ViaVia. En ik hoorde vanmiddag voor de lunch van Martín, dat hij en José ook ongevraagd hierheen zijn getoverd.” Ik kijk Martín aan. “Een wedstrijd schermen. De degen van Senor Osso was een ViaVia.”, antwoord deze.
“Ik denk dus dat we de tijdmachine kunnen zien als een soort ViaVia, en dat als we hier klaar zijn Mark op de één of andere manier wel weer terug komt.”, gaat Mara verder.
“Daar zou je wel eens gelijk in kunnen hebben. Ik heb me er in ieder geval al bij neergelegd dat ik hier voorlopig nog wel even zit. Ik zie wel wat er gaat gebeuren, en als er een reden is voor mijn aanwezigheid hier, dan kom ik daar vast nog wel achter. Dus nu weten jullie het dus, ik kom uit de toekomst. En als jullie het niet erg vinden dan voorspel ik nu dat onze toekomst er warm uit gaat zien.” “Hoezo?”, hoor ik José vragen. “Nou, omdat we nu naar beneden gaan en rond het haardvuur met een kop thee gaan zitten, daarom.”, grijns ik, terwijl ik me opricht uit de bank.
De maan is inmiddels opgekomen en heeft een zilveren deken over het kasteel uitgespreid, waardoor alles er nog magischer uit gaat zien dat het al was. Heel even denk ik weer een figuur te zien op het terras van de grote toren, maar besluit al gauw dat ik daar nu niet aan wil denken, maar een kop thee ga halen beneden.





Hansje — 20 februari 2004

Je maakt er echt een fantastisch verhaal van, Mark! Het blijft boeien!





Reacties zijn gesloten.

logo